in dit dossier heb ik twee wetsartikelen opgenomen die worden toegepast bij de toetsing van de beginselen die moeten worden overwogen om te kijken of een persoon onevenredig in zijn belang wordt getroffen bij het maken van een BKR-registratie.

Art. 8 Wbp

Artikel 8 Wet bescherming persoonsgegevens is van belang waneer de vraag wordt gesteld of een kredietverstrekker rechtmatig een BKR-registratie heeft verwerkt. Dit artikel bevat limitatief opgesomde rechtvaardigingsgronden die bepalen wanneer de verwerking van persoonsgegevens zijn toegestaan. de Hoge Raad heeft een nadere uitleg gegeven op dit artikel op een uitspraak van 9 september 2011. Klik hier voor de annotatie van de uitspraak.

de wet luid als volgt:

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;
c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;
d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of
f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Art. 8 EVRM

De Wbp moet worden uitgelegd in overeenstemming met het bepaalde in art. 8 EVRM. Uit de memorie van toelichting blijkt dat naar de bedoeling van de wetgever bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Art 8 EVRM luid:
  1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
  2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.